de Appelvink      terug  

Appelvink (Coccothraustas coccothraustes coccothraustes)

 De appelvink heeft zijn verspreidingsgebied vanaf de Middellandse Zee tot in de Kaukasus, alsook in sommige delen van Groot-Brittannië. In Nederland heeft de appelvink de status van broedvogel en jaarvogel. Het is de grootste van onze vinkachtigen. Leeft weinig in sociaal verband, alleen in de winter kunnen troepjes worden opgemerkt.

De appelvink is direct te herkennen aan zijn enorme snavel, hij behoort dan ook tot de groep van kernbijters. Het onderscheid tussen man en pop is goed waarneembaar, bij de pop zijn de kleuren immers bleker en grijzer, de vleugelbanden zijn eerder grijswit en de driekleurige keelvlek is veel smaller dan bij de man. Ook bij de jonge vogels die net zelfstandig zijn is het geslachtsonderscheid reeds goed waarneembaar. De handpennen zijn bij de jonge mannen zwart en bij de jonge poppen grijs gekleurd.

De appelvink is 18 cm groot en fors geblokt van model met een vrij korte staart. De houding is rustig fier met iets doorgezakte poten. Typisch voor de appelvink zijn de donkerblauwe krulveren in de vleugels. De appelvink is een vogel die we momenteel nog schaars aantreffen op de tentoonstellingen. 

Sinds de Wijziging Regeling uitvoering van de Vogelwet in 1997 mogen we in Nederland de appelvink houden. Vanuit België zijn er kweekstellen naar Nederland gekomen. Het is verstandig om met een rustig eigen kweek koppel aan te vangen. De kweek met de appelvink is een uitdaging voor menig liefhebber van Europese Cultuurvogels.

De appelvink kan men het best paarsgewijs huisvesten in kweekboxen. Als nestkast kennen diverse vormen gebruiken van een gecamoufleerd groot formaat harzerkastje tot een z.g.n. kapelletje. Het legsel bestaat meestal uit 4 eieren die indien bevrucht na ca. 14 dagen uitkomen.

In de loop van april begint de broedtijd voor de appelvink. Dan neemt de man de fascinerende baltshouding aan. Hij blaast als het ware zijn kop op , laat zijn vleugels hangen en gaat om de pop heen dansen. De man heeft in broedconditie een staalblauwe snavel.

Wanneer blijkt dat een koppel niets van elkaar moet hebben is het raadzaam om het stel te verbreken.

Als nestmateriaal gebruiken ze tamelijk dikke takjes en twijgen voor de ruwbouw en vezeltouw, grof en fijn cocoshaar enz. voor de afbouw. Het is aan te bevelen om meerdere nestgelegenheden aan te bieden.

De voeding bestaat in hoofdzaak uit een goede grove standaard zaadmengeling aangevuld met zonnepitten. In de kweektijd wordt het menu aangevuld met eivoer, meelwormen, miereneieren, slakjes enz.

In de ruitijd verstrekken we de appelvinken allerlei bessen, beukennootjes, gemalen eikels, vers fruit enz. Mineralen en grit mogen uiteraard niet ontbreken.

Keurtechnische aanwijzingen.

Jonge appelvinken welke nog niet op kleur zijn, kan men herkennen aan de geelachtige keelvlek en stipvorming op borst en flanken. De appelvink dient een goed geblokt model te bezitten met een volle borst. Speciaal dient er op gelet te worden dat de snavel en/of loopbenen niet geschubd zijn, dat de borstkleur niet vlekkerig is of wazig door een teveel aan schimmel. De flanken moeten zichtbaar zijn. De keelvlek en teugel moeten strak afgelijnd zijn zonder dat ze onderbroken worden. Ook de vleugelbalk moet volledig aanwezig zijn, alsmede de sierveertjes op de vleugels. Vaak zien we een beschadigde kopbevedering, dit wordt in de eerste plaats bij bevedering beoordeeld, maar hierdoor is de conditie, kleur en tekening ook niet meer optimaal.

(T.C.E.C. J. de Nijs - F. Pijnen 04-04-1999)

 

home