de Appelvink terug

Appelvink
(Coccothraustas
coccothraustes coccothraustes)
![]()
De
appelvink heeft zijn verspreidingsgebied vanaf de Middellandse Zee tot in de
Kaukasus, alsook in sommige delen van Groot-Brittannië. In Nederland heeft de
appelvink de status van broedvogel en jaarvogel. Het is de grootste van onze
vinkachtigen. Leeft weinig in sociaal verband, alleen in de winter kunnen
troepjes worden opgemerkt.
De
appelvink is direct te herkennen aan zijn enorme snavel, hij behoort dan ook tot
de groep van kernbijters. Het onderscheid tussen man en pop is goed
waarneembaar, bij de pop zijn de kleuren immers bleker en grijzer, de
vleugelbanden zijn eerder grijswit en de driekleurige keelvlek is veel smaller
dan bij de man. Ook bij de jonge vogels die net zelfstandig zijn is het
geslachtsonderscheid reeds goed waarneembaar. De handpennen zijn bij de jonge
mannen zwart en bij de jonge poppen grijs gekleurd.
De
appelvink is 18 cm groot en fors geblokt van model met een vrij korte staart. De
houding is rustig fier met iets doorgezakte poten. Typisch voor de appelvink
zijn de donkerblauwe krulveren in de vleugels. De appelvink is een vogel die we
momenteel nog schaars aantreffen op de tentoonstellingen.
kweekstellen naar Nederland gekomen. Het is verstandig om met een rustig
eigen kweek koppel aan te vangen. De kweek met de appelvink is een uitdaging
voor menig liefhebber van Europese Cultuurvogels.
De
appelvink kan men het best paarsgewijs huisvesten in kweekboxen. Als nestkast
kennen diverse vormen gebruiken van een gecamoufleerd groot formaat harzerkastje
tot een z.g.n. kapelletje. Het legsel bestaat meestal uit 4 eieren die indien
bevrucht na ca. 14 dagen uitkomen.
In
de loop van april begint de broedtijd voor de appelvink. Dan neemt de man de
fascinerende baltshouding aan. Hij blaast als het ware zijn kop op , laat zijn
vleugels hangen en gaat om de pop heen dansen. De man heeft in broedconditie een
staalblauwe snavel.
Wanneer blijkt dat een koppel niets van elkaar moet hebben is het raadzaam om
het stel te verbreken.
Als
nestmateriaal gebruiken ze tamelijk dikke takjes en twijgen voor de ruwbouw en
vezeltouw, grof en fijn cocoshaar enz. voor de afbouw. Het is aan te bevelen om
meerdere nestgelegenheden aan te bieden.
De
voeding bestaat in hoofdzaak uit een goede grove standaard zaadmengeling
aangevuld met zonnepitten. In de kweektijd wordt het menu aangevuld met eivoer,
meelwormen, miereneieren, slakjes enz.
In
de ruitijd verstrekken we de appelvinken allerlei bessen, beukennootjes, gemalen
eikels, vers fruit enz. Mineralen en grit mogen uiteraard niet ontbreken.
Keurtechnische aanwijzingen.
Jonge appelvinken welke nog niet op kleur zijn, kan men herkennen aan de
geelachtige keelvlek en stipvorming op borst en flanken. De appelvink dient een
goed geblokt model te bezitten met een volle borst. Speciaal dient er op gelet
te worden dat de snavel en/of loopbenen niet geschubd zijn, dat de borstkleur
niet vlekkerig is of wazig door een teveel aan schimmel. De flanken moeten
zichtbaar zijn. De keelvlek en teugel moeten strak afgelijnd zijn zonder dat ze
onderbroken worden. Ook de vleugelbalk moet volledig aanwezig zijn, alsmede de
sierveertjes op de vleugels. Vaak zien we een beschadigde kopbevedering, dit
wordt in de eerste plaats bij bevedering beoordeeld, maar hierdoor is de
conditie, kleur en tekening ook niet meer optimaal.
(T.C.E.C. J. de Nijs - F. Pijnen 04-04-1999)